Castratie bij katten - Cattery Dasadas Home

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Castratie bij katten

Zin en onzin over castraties bij katten.

Laat je een kat castreren dan stopt hij met groeien en verandert zijn karakter in ongunstige zin. Bovendien krijgt hij een hangbuik en heeft hij een sterk vergrote kans op urinewegproblemen door blaasgruis. Dit zijn enkele opvattingen die leven onder kattenbezitters, -fokkers en zelfs dierenartsen. Achterhaalde opvattingen, zoals blijkt uit een grootscheeps onderzoek onder enkele duizenden katten in de Verenigde Staten.

Castreren.

Castreren is het chirurgisch verwijderen van de voortplantingsorganen. Bij de kater worden tijdens deze operatie de testikels  (zaadballen) verwijderd, bij de poes de eierstokken en indien nodig de baarmoeder. Voor een kater is de operatie niet echt ingrijpend. Slechts 2 kleine huidsneetjes herinneren na afloop aan de operatie. Heel anders gaat het bij de poes. Om de eierstokken te kunnen verwijderen moet immers de buik worden geopend. De wondjes worden bij de kater in de regel niet gehecht. Gebleken is namelijk dat dit minder complicaties met zich meebrengt en snel geneest. Bij de poes moet de buikholte en huid in verschillende lagen worden gehecht.
Vanzelfsprekend is de tijd die met deze operatie gemoeid is bij de kater daardoor een stuk korter dan bij de poes. Dat uit zich ook in de kosten die dierenartsen aan de eigenaren doorberekenen.

Voordelen van castratie.

In de loop der jaren is de adviesleeftijd voor castratie sterk verlaagd naar 5, maximaal 6 maanden, dus bij voorkeur vóór de puberteit. Uit onderzoek blijkt namelijk dat een operatie bij de poes vóór de eerste krolsheid een beschermend effect geeft tegen het ontstaan van mammatumoren (borstkanker) op latere leeftijd. Bovendien is de kans op het ontstaan van ongewenste nestjes kittens hiermee verdwenen. Diabetes Mellitus (suikerziekte) is ook een ziekte die minder vaak voorkomt door vroege castratie. Ondanks al deze positieve effecten van een vroege(re) castratie op katten, bleven sommige mensen toch huiverig voor de ingreep. De afweging tussen de positieve effecten op de gezondheid van de kat en de veronderstelde negatieve, resulteerde niet bij iedere katteneigenaar tot dezelfde conclusie.

Bij toeval ontdekt.

De Amerikaanse dierenarts Lisa Howe van het College of Veterinary Medicine Texas A&M University ontdekte bij toeval dat de meeste vooroordelen rechtstreeks naar het land der fabelen verwezen konden worden. Op deze universiteit is men ooit begonnen met het castreren van katers en poezen op zeer jonge leeftijd. Aanleiding hiervoor was de noodkreet die hen bereikte vanuit de kattenopvangcentra. Doordat veel katten vrij rondliepen en zich in een razendsnel tempo voortplantten, was de zwerfkattenpopulatie tot een ongekende hoogte gekomen. De opvangcentra puilden uit en gezonde dieren moesten worden gedood, omdat er geen baasje voor ze te vinden was. In overleg werd besloten alle katten vanaf een leeftijd van 7 weken te castreren. Oudere verwilderde katten konden worden teruggeplaatst op de plek waar ze gevangen werden en voor de jonge kittens kon alsnog een nieuw baasje worden gezocht. Men wilde de kittens graag gecastreerd aan hun nieuwe eigenaren overhandigen, zodat de ze er zeker van waren dat deze dieren geen nakomelingen meer konden verwekken.

Vooroordelen onder de loep genomen.

Door het vroegtijdig castreren van vele dieren ontstond er een mogelijkheid om de vooroordelen die leefden ten aanzien van vroege castratie eens op een wetenschappelijke manier te onderzoeken. Onderzoek onder bijna 2000 honden en katten toonde aan dat er na de operatie van dieren jonger dan 12 weken veel minder complicaties optraden dan bij oudere dieren. Groeiachterstand na castratie treedt niet op. Integendeel: de sluiting van de groeischijven van de lange beenderen is afhankelijk van de hormonen die door de geslachtsklieren worden geproduceerd. Dit resulteert erin dat dieren die voor de leeftijd van 7 maanden werden geopereerd ongeveer 8 weken langer doorgroeien dan niet-geopereerde dieren. In vergelijking met "niet geholpen" dieren zijn katten die gecastreerd zijn aanhankelijker tegenover mensen en minder agressief tegenover soortgenoten. Er is echter geen verschil merkbaar tussen dieren die op 7 weken of op 7 maanden zijn "geholpen".

Urinewegproblemen.

Het vooroordeel dat gecastreerde dieren, met name katers, gevoeliger zouden zijn voor blaas- en urinewegproblemen dan hun niet-gecastreerde soortgenoten is ook niet juist gebleken. De diameter en functie van de plasbuis van gecastreerde katten blijkt niet anders te zijn dan van nog seksueel actieve volwassen dieren. Wat betreft het optreden van plasbuis- en blaasverstoppingen lijkt echter het tegendeel waar: hier lijkt vroege castratie een beschermend effect te geven. Er worden meer blaas- en urinewegproblemen gezien in laat gecastreerde dieren dan bij vroege castraties!

Hangbuiken.

Wel bewezen is dat katten dik kunnen worden na een castratie. Gecastreerde dieren verbranden in rust namelijk minder energie dan hun "niet geholpen" soortgenoten. Bovendien neemt bij gecastreerde katten bij een toenemend lichaamsgewicht de bindweefselband in de buik behoorlijk in lengte toe, waardoor de beruchte "hangbuiken" kunnen ontstaan. Het advies is dan ook om onmiddellijk na de operatie katten minder voer te geven dan ervoor. Dit voorkomt in een aantal gevallen dat de dieren te dik worden.

Nederlandse situatie.

In de Verenigde Staten ziet men het aantal zwerfdieren door deze ingreep gestaag dalen. Ondanks het feit dat het operen van een zeer jeugdig dier meer zorg met zich meebrengt, wegen de voordelen ruimschoots op tegen de nadelen. Men kan immers rustig stellen dat het veilig is om castraties bij kittens voor de puberteit uit te voeren! In Nederland speelt het probleem van de zwerfdieren niet zo'n grote rol als in de Verenigde Staten. Toch wordt ook hier het nut van vroege castratie onderkend en is de adviesleeftijd voor deze ingreep ook hier teruggebracht.

Terug

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu